In zeven dagen zeshonderd kilometer ploeteren over de Rocky Mountains, met elke dag een te overbruggen hoogteverschil van dik twee kilometer, hellingen van dertig procent, wildstromende bergbeekjes én het niet te onderschatten risico om oog in oog te komen staan met een grizzlybeer. Fietsen tot je misselijk wordt van de inspanning. Is dat nog wel leuk?

„Ja, dat is heel leuk“, zegt Van Oosten. „Je rijdt met teams uit de hele wereld, waaronder de top van Amerika, en leert die mensen goed kennen. Het worden vrienden van je, ook omdat je met z’n allen in dezelfde ellende zit.“
Van Oosten heeft eerder deelgenomen aan het Europese equivalent van de Transrockies, de Bike Transalp Challenge. Die is zo mogelijk nog zwaarder dan de Canadese variant. Ook hebben Van Oosten en Fahrni, momenteel thuis in Zwitserland, de nodige kilometers in de Ardennen achter de rug en hebben ze getraind op het Eurocircuit in Valkenswaard. Door de week trainen zij gemiddeld anderhalf tot drie uur per dag.

Aan de Transrockies Challenge doen tweehonderd teams mee. „Ik heb niet de illusie dat we gaan winnen“, zegt Van Oosten nuchter. „Maar een plekje bij de eerste honderd moet volgens mij mogelijk zijn. Bij de Transalp werden ik en mijn partner 125e van de 400.“
In hun rugzakje van een kilo of vijf torsen de deelnemers onder meer drie liter water en een busje pepperspray mee; een wapen tegen eventueel overstekend zeer groot wild. Van Oosten verwacht weinig beren op de weg. „Maar dat busje pepperspray is nu eenmaal verplicht.“
De grootste reële risico’s vormen de sterke afdalingen. „Daar kun je fouten maken, zeker als je al flink moe bent. Bij de Transalp waren zeven gevallen renners die per helikopter naar het ziekenhuis moesten worden afgevoerd.“
De vierhonderd deelnemers rijden in teams van twee. Solidariteit, elkaar helpen, is een belangrijk ingrediënt. „Het gebeurt vaak dat je de fiets op je nek moet nemen van je zwakkere teamgenoot“, weet Van Oosten. „Vooral bij de gemengde teams zie je dat gebeuren.“
Het zwaartepunt in de dagelijkse etappes ligt op de plekken waar een stuk gelopen moet worden, simpelweg omdat de helling te steil is en het pad te rotsig om nog te kunnen fietsen. „Je kuiten komen dan onder flinke spanning te staan. Als je na een halfuurtje dan weer op je fiets klimt, kan dat ongelooflijk pijnlijk zijn. Pauzes kun je je niet permitteren. En op den duur kun je dus misselijk worden van de inspanning.“ Maar leuk blijft het wel. „Vooral achteraf“, erkent Van Oosten.
Uit de regio doet overigens nog een team mee: dat van fietsenmaker Marc van Otten uit Valkenswaard.
http://www.transrockies.com
(C) Eindhovens Dagblad